De vier belangrijkste Excel objecten zijn:
Application,
WorkBook,
WorkSheet en
Range. Een object is het geheel van data en programmacode
die een "ding" representeren; bijvoorbeeld een grafiek, een kolom,
een cel, een formule, ... Een object heeft eigenschappen of properties (=data)
en methoden (=programmacode). Bijvoorbeeld een Range-object heeft een waarde,
een adres, een achtergrondkleur; dit zijn eigenschappen of data. Een Range-object
heeft ook een Clear-methode, een Autofit-methode, een PrintPreview-methode.
Dit zijn stukjes programmacode die "iets" doen.

- Excel VBA werkt met de dot-operator om de methoden en eigenschappen van een
object aan te duiden. Bijvoorbeeld:
Application.Workbooks("Map1.xls").Worksheets("Blad1").Range("A1").Value
= 7
U kunt dit als volgt lezen: geef het getal 7 als waarde aan het gebied (range)
A1 van het werkblad met als naam 'Blad1' van de map 'Map1.xls' van Excel.
- De meeste eigenschappen kunnen zowel ingesteld of ingelezen worden.
Indien u, zoals in een PSD een ¬ ziet in plaats
van een =-teken, wordt het onderscheid tussen instellen en lezen
duidelijker.
- instellen: Application.WindowState = xlNormal
- inlezen: x = Application.ActiveCell.Value
- Een eigenschap of methode van een object kan op zijn beurt een object als
resultaat geven. Bijvoorbeeld:
- de eigenschap ActiveCell van het Application-object heeft een Range-object
als resultaat.
- De eigenschap End van het Range-object geeft opnieuw een Range-object.
- De Add-methode van het Workbook-object geeft een referentie naar het
nieuw toegevoegde werkblad.
- Een object kan toegewezen worden aan een variabele. De variabele vormt dan
eigenlijk een referentie of verwijzing naar het object. U dient hiervoor de
SET-instructie te gebruiken. Bijvoorbeeld:
Dim w As Workbook
Set w = Application.ActiveWorkbook